|
Auteur: Joeri Facq
Dit e-mail adres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit onderdeel te kunnen bekijken
I. Het verhaal van het oude talenonderwijs in België
Er bestaan enkele studies over de evolutie van het onderwijs in België, maar tot nu toe werd er weinig aandacht besteed aan de evolutie van het onderwijs in de oude talen. Enkele artikels over kleine deelgebieden niet te na gesproken is er geen algemeen overzicht over de manier waarop oude talen in het secundair onderwijs werden onderwezen in de afgelopen eeuwen. Er valt nog heel wat onderzoek te doen en er is weinig concrete informatie over het onderwerp beschikbaar.
II. Het hedendaags middelbare schoolsysteem in België
Gedurende de laatste decennia kende België vier grote staatshervormingen (de eerste in 1970, de laatste in 1993) die van België een federale staat hebben gemaakt met drie gemeenschappen: de Duitstalige, de Franstalige en de Nederlandstalige gemeenschap. Door deze staatshervormingen valt onderwijs niet langer, zoals vroeger, onder de verantwoordelijkheid van de federale regering maar van de regeringen van de gemeenschappen. In dit artikel beperken we ons tot de beschrijving van de situatie in de Vlaamse gemeenschap (die coördinator is van het CIRCE-project); waar de situatie in de Duitstalige en de Franstalige gemeenschappen afwijkt van de situatie in de Vlaamse gemeenschap, zullen die verschillen vermeld worden.
Leerplicht
In Vlaanderen bestaat leerplicht: jongeren moeten verplicht naar school gaan tot 18 jaar. De leerplicht begint op 1 september van het jaar waarop het kind 6 jaar wordt en duurt dus twaalf volledige schooljaren. Na zes jaar lager onderwijs gaat het kind over naar het middelbaar onderwijs, waar ook een cyclus van zes jaar moet voltooid worden. Deze zes jaar vallen uiteen in drie groepen van twee jaar. Na een eerste graad die gemeenschappelijk is voor alle leerlingen, hebben de leerlingen de keuze uit vier types onderwijs: algemeen secundair onderwijs (ASO), technisch secundair onderwijs (TSO), kunstsecundair onderwijs (KSO) en beroepssecundair onderwijs (BSO). In elk van deze types heeft een leerling de keuze tussen verschillende studierichtingen.
Inrichtende macht
In Vlaanderen bestaat er onderwijs dat door de overheid wordt ingericht en onderwijs dat op privé initiatief wordt ingericht. De eerste soort wordt ingericht door de Vlaamse Gemeenschap (GO!), door de provincies en door steden en gemeenten (30%). Ongeveer 70% van alle Vlaamse scholen behoort tot de tweede soort, en het grootste deel van deze scholen is katholiek (Vrij onderwijs). Ook deze scholen worden gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap. Er kunnen kleine verschillen bestaan tussen de vier netten, maar de basisregels worden opgelegd door de Vlaamse Gemeenschap. Deze basisregels gaan over de structuur en de organisatie van het onderwijs (drie graden van twee jaar elk, leerplicht en de daarvoor voorziene leeftijd) en de einddoelen (de minimumdoelstellingen die moeten bereikt worden door de meerderheid van de leerlingen).
III. Klassieke vakken in het middelbaar in België
Latijn
Leerlingen kunnen Latijn studeren vanaf het jaar waarin ze 12 jaar worden tot het einde van hun middelbare studies, dus zes jaar, tot het jaar waarin ze 18 worden. In het tweede jaar hebben ze de keuze om alleen Latijn te studeren of Grieks bij te nemen. In de derde graad bestaan er vier mogelijke combinaties voor Latijn: Latijn-Grieks, Latijn-Moderne Talen (Frans; Engels; Duits of Spaans), Latijn-Wetenschappen (biologie, scheikunde en fysica) en Latijn-Wetenschappen-Wiskunde (met 6 of 8 uur wiskunde per week). Afhankelijk van het net worden 4 of 5 lestijden Latijn van 50 minuten gegeven. In de Duitstalige gemeenschap wordt in de afdeling Latijn-Moderne Talen Frans, Engels en Nederlands gegeven.
In de eerste graad is het hoofddoel het verwerven van een basiskennis van Latijns vocabularium en grammatica. Er gaat ruim tijd naar cultuuritems en het lezen van Latijnse teksten in aangepaste vorm. Vanaf het derde jaar (voor het katholiek onderwijs het vierde jaar) worden Latijnse auteurs gelezen in de originele tekst. Er kunnen verschillen bestaan tussen de netten, maar het curriculum omvat in de meeste scholen Caesar, Ovidius, Vergilius, Horatius, Livius, Tacitus en Cicero; drama, Romeins recht en filosofie zijn verplichte thema’s.
In Vlaanderen is er geen centraal examen. Iedere leerkracht is verantwoordelijk voor de beoordeling van zijn of haar leerlingen. Dit betekent natuurlijk geenszins dat die beoordeling arbitrair zou zijn. De einddoelen, de doestellingen, de leerplannen en de pedagogische adviseurs voorzien leerkrachten van instructies en suggesties in verband met de manier van evalueren. Twee- of driemaal per jaar (altijd voor de kerstvakantie en de zomervakantie en in het katholiek onderwijs ook voor de paasvakantie) worden er examens georganiseerd waarin de kennis van de leerstof en de verworven vaardigheden van de laatste maanden worden getest.
Grieks
Leerlingen kunnen gedurende vijf jaar Grieks volgen van in het jaar waarin ze 13 jaar worden (tweede leerjaar van de eerste graad). Ze kunnen alleen Grieks volgen of Grieks combineren met Latijn. In de derde graad zijn er drie mogelijke combinaties: Latijn-Grieks, Grieks-Wetenschappen (biologie, scheikunde en fysica) en Grieks-Wetenschappen-Wiskunde (met 6 of 8 uur wiskunde per week). Afhankelijk van het net worden 2 tot 5 lestijden Grieks van 50 minuten gegeven.
Het systeem om Grieks te geven lijkt sterk op dat van Latijn. In de eerste twee jaar (dus het tweede en derde jaar van het middelbaar) gaat de aandacht uit naar het verwerven van een basiskennis van Grieks vocabularium en grammatica. Er gaat ruim tijd naar Griekse geschiedenis en cultuur en het lezen van Griekse teksten in aangepaste vorm. Nadien worden Griekse auteurs in de originele tekst gelezen. In het Gemeenschapsonderwijs wordt thematisch gelezen (dit wil zeggen per thema, niet per auteur), in het vrij onderwijs bestaat er een canon met onder meer Herodotus, Xenophon, Homerus, de lyrische dichters, Demosthenes (of meer algemeen retorica), de tragici en Plato.
Antieke cultuur
In sommige scholen van het vrije net bestaat het vak antieke cultuur, gegeven gedurende één lestijd per week. Normaal wordt echter alles wat er te vertellen valt over oude geschiedenis en cultuur geïntegreerd in de lessen Latijn en Grieks. Ook in het vak geschiedenis (2 lestijden per week) wordt een volledig schooljaar besteed aan de geschiedenis van de oudheid (Egypte, Griekenland en Rome).
Aantallen
In het secundair onderwijs in Vlaanderen zitten 440.000 leerlingen. Ongeveer 75.000 van hen zitten in het Gemeenschapsonderwijs, en van hen volgen er 16.000 Latijn; er zijn maar 800 leerlingen die Grieks volgen. In alle netten samen volgen er 64.000 leerlingen Latijn (ongeveer 5.000 volgen Grieks). In de Duitstalige gemeenschap wordt sedert 1990 geen Grieks meer gegeven.
IV. Hoe word je in België leerkracht oude talen?
Latijn studeren buiten de universiteit is mogelijk in België. Deze studies duren drie jaar en leiden naar de graad van bachelor. Leerkrachten met de graad van bachelor zijn niet talrijk en mogen alleen maar les geven in de eerste graad van het middelbaar. Voor hen is de lerarenopleiding geïntegreerd in hun curriculum. In de praktijk zijn bijna alle leerkrachten Latijn en Grieks masters: ze hebben vier jaar aan de universiteit gestudeerd. Drie Vlaamse universiteiten richten studies in de klassieke filologie in: Brussel, Gent en Leuven. De belangrijkste cursussen zijn Latijnse en Griekse taal en literatuur, oude geschiedenis, filosofie, godsdienst en archeologie.
De lerarenopleiding voor masters wordt ook door de universiteit georganiseerd via een leerplan van één jaar. Een groot deel van deze opleiding bestaat uit specifieke modules met theorie en praktische oefeningen. De kandidaten moeten ook praktijkervaring opdoen in een middelbare school.
Om leerkracht Latijn en Grieks in de Duitstalige gemeenschap te worden moet men een “licence en langues et littératures classiques” behalen (vroeger “licence en philologie classique”) en met succes de vereiste lerarenopleiding gevolgd hebben (agrégation) aan de universiteit van Luik, Louvain-la-Neuve of Brussel. De eerste cyclus kan men ook volgen in Namen en aan de Facultés universitaires Saint-Louis in Brussel.
Om in dienst genomen te worden moet een kandidaat-leerkracht zijn kandidatuur indienen bij het net van zijn of haar keuze. In het Gemeenschapsonderwijs bestaat er een soort gecentraliseerd systeem. Er bestaan daar 28 schoolgroepen; kandidaat-leerkrachten moeten hun kandidatuur indienen in elke schoolgroep. In het vrije net moet men zijn kandidatuur indienen in individuele scholen.
Na enkele jaren het statuut van tijdelijke leerkracht te hebben gehad kan men vastbenoemde leerkracht worden in een vacant ambt. Het statuut van tijdelijke kan wel meer dan tien jaar aanslepen…
V. Verdere informatie
Bibliografie en nuttige links
Een zeer goed en systematisch overzicht van het onderwijssysteem in Vlaanderen vind je in het boekje “Onderwijs in Vlaanderen. Een brede kijk op het Vlaamse onderwijslandschap”, uitgegeven in 2008 door het departement opvoeding van het ministerie van onderwijs van de Vlaamse gemeenschap. Je kunt het ook raadplegen op het internet: http://www.ond.vlaanderen.be/publicaties/?nr=103
De websites van de departementen klassieke filologie van de drie Vlaamse universiteiten zijn:
- Brussel: http://www.vub.ac.be/TALK/?q=node/44
- Gent: http://www.flwi.ugent.be/latijnengrieks
- Leuven: http://www.arts.kuleuven.be/iks/ned/
De doelstellingen van de “Vereniging van Leerkrachten Oude Talen” zijn: de belangstelling voor oude talen en cultuur promoten, de kwaliteit van het onderwijs in oude talen verbeteren, de leerkrachten oude talen ondersteunen en hun belangen verdedigen. Hun website is http://www.vlot-vzw.be/ . In de Franstalige en Duitstalige gemeenschap bestaat ook een vereniging van leerkrachten oude talen: de FPGL „Fédération des Professeurs de Grec et de Latin“.
|