|
door Elisabeth Nedergaard,
Dit e-mail adres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit onderdeel te kunnen bekijken
In de periode 2000-2003 gaf het Deense Ministerie van Wetenschappen, Technologie en Ontwikkeling een subsidie van 170 miljoen Deense kronen aan de Deense regio Nordjylland (Noord-Jutland). De regio moest deze grote som besteden aan de ontwikkeling van een “ICT-vuurtoren” die over het hele land zou schijnen. Het project heette "Det Digitale Nordjylland" (digitaal Noord-Jutland), afgekort “DDN” (zie www.detdigitalenordjylland.dk). Als onderdeel van het project moesten de gymnasia van Noord-Jutland verbonden worden in een netwerk dat hen in staat zou stellen kennis uit te wisselen en netwerkprojecten op te zetten. Een proefproject was het Latijn/Engels-project tussen het Fjerritslev Gymnasium en het Noerresundby Gymnasium & HF-kursus. Leerkrachten van die scholen suggereerden dat het proefproject zou plaatsvinden in het schooljaar 2000-2001. Het was een project van één jaar voor leerlingen in hun eerste jaar Latijn, leeftijd 16-18. De onderwerpen die gekozen werden, waren “Romeins Engeland” en “Latijn in het Engels”. De deelnemende leerlingen waren van 1.a 2000/01 van het Fjerritslev Gymnasium en van 1.b 2000/01 van het Noerresundby Gymnasium & HF-kursus. De volgende leerkrachten waren bij het project betrokken: Engels, Fjerritslev Gymnasium: Elsebeth Austin (
Dit e-mail adres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit onderdeel te kunnen bekijken
); Latijn, Fjerritslev Gymnasium: Kell Commerau Madsen (
Dit e-mail adres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit onderdeel te kunnen bekijken
); Engels, Noerresundby Gymnasium & HF-kursus: Birte Toenne Nielsen (now Birte Oskjaer) (
Dit e-mail adres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit onderdeel te kunnen bekijken
); Latijn, Noerresundby Gymnasium & HF: Elisabeth Nedergaard (
Dit e-mail adres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit onderdeel te kunnen bekijken
). Het allesomvattende doel van het project was het creëren van een vernieuwende leersituatie door de invoering van ICT. De samenwerking tussen Latijn en Engels moest bijdragen tot een betere kwaliteit van beide vakken en dat gebeurde ook. De netwerken binnen het project vormden een belangrijk onderdeel van de vernieuwende, op ICT gebaseerde methodes om les te geven. De ICT-vaardigheden en programma’s werden beschouwd als voorbereiding voor verdere studies. Tijdens het project werden de volgende ICT-vaardigheden aan de leerlingen voorgesteld en door hen (en de leerkrachten) toegepast: Ø tekstverwerking; Ø gebruik van het internet; Ø conferentiesysteem FirstClass, zie www.centrinity.com; Ø zinsontleding via VISL (Visual Interactive Syntax Learning), zie www.visl.sdu.dk/; Ø vocabulariumtraining via gtPlus, zie http://gbcdesign.dk/; Ø andere programma’s zoals Hot Potatoes (http://web.uvic.ca/hrd/hotpot/), Quia (www.quia.com/) en Markin (www.cict.co.uk/software/markin/). Het onderdeel “netwerken” van het project had plaats in de tweede helft van het schooljaar, in de lente van 2001, toen de leerlingen al een tijd hadden gewerkt aan de onderwerpen “Romeins Engeland” en “Latijn in het Engels” (parallel onderwijs) en de basiskennis van Latijn als taal gevormd was. Een andere reden waarom deze late periode werd gekozen, was dat het netwerk eerst moest worden opgezet en vervolgens getest worden. Vooraleer het netwerkproject aan de leerlingen werd voorgesteld, vergaderden de leerkrachten om te beslissen welke onderdelen er in het project zouden opgenomen worden. We besloten te focussen op een literair onderwerp, het carpe diem-thema in de dichters Catullus en Robert Herrick. Vervolgens bepaalden we de verschillende soorten opdrachten die de leerlingen zouden moeten uitvoeren: Ø taalkundige/grammaticale vragen met betrekking tot Catullus III (die iedereen moest oplossen); Ø een van Catullus' gedichten vrij weergeven in het Engels (III, V of VIII, afhankelijk van de groep); Ø een verhandeling over de invloed van Catullus op Herrick op basis van tien van Herrick’s gedichten; Ø ten slotte een creatieve opdracht over het carpe diem-thema (de leerlingen moesten een gedicht schrijven over het thema in een taal van hun keuze). De leerlingen werkten in zes groepen van 5 tot 6 personen. De uitgewerkte opdrachten moesten op het einde van de werktijd samengebracht en opgenomen worden in een (met tekstverwerker gegenereerd) document. Elke leerling moest zijn onderdeel als een bijlage bij een e-mail aan zijn leerkracht bezorgen.
Na de vergadering van de leerkrachten werd er een webpagina gemaakt voor de leerlingen (http://home5.inet.tele.dk/austin/carpe.htm) met informatie over: Ø de groepen, zie http://home5.inet.tele.dk/austin/carpe2.htm; Ø het tijdschema, zie http://home5.inet.tele.dk/austin/carpe3.htm; Ø de tekst van tien gedichten door Robert Herrick over het carpe diem-thema, zie http://home5.inet.tele.dk/austin/carpedigt.htm; Ø de opdrachten, zie http://home5.inet.tele.dk/austin/carpe1.htm. Wat het verloop van het project betreft, was het oorspronkelijke plan dat de twee klassen elkaar zouden kunnen ontmoeten maar het bleek onmogelijk om hiervoor een dag te vinden. In hun beoordeling waren de leerlingen bijzonder kritisch over samenwerken met onbekende mensen zonder gezicht. Het resultaat zou beter zijn geweest als ze elkaar eerst hadden kunnen ontmoeten of als de leerkrachten hen een persoonlijk profiel hadden laten opstellen voor de leerlingen van de andere school. Leerlingen van die leeftijd (en misschien van alle leeftijden) hebben nood aan persoonlijk contact om het beste te kunnen maken van een virtuele dialoog. In de loop van het project werden technische details problemen. Het netwerk in Fjerritslev was helaas niet klaar bij de start van het project en dat zorgde voor vertraging in de virtuele discussie tussen de leerlingen. Het forum dat de technisch adviseurs van de twee scholen voor het netwerkproject hadden opgezet, functioneerde zonder problemen maar raakte al snel overspoeld door e-mails van de verschillende groepen en dat bemoeilijkte sterk het overzicht en beheer. Het geheel opsplitsen in een aantal kleinere fora (één voor elke groep leerlingen) zou de situatie zeker hebben verbeterd. Een ander probleem (dat voor ons als een verrassing kwam) was het gebruik van verschillende tekstverwerkers. In Fjerritslev gebruikten de leerlingen Star Office, terwijl ze in Noerresundby Microsoft Word gebruikten. Ze konden dus elkaars bestanden niet openen, tenzij ze opgeslagen waren als .rtf-bestand. Ook dit zorgde voor vertraging. Nog een verschil tussen de twee scholen was dat de leerlingen in Fjerritslev elk een laptop hadden, terwijl die in Noerresundby het moesten doen met de computers in de computerklas van de school. Indien alle leerlingen laptops met internetverbinding hadden gehad, zou het resultaat beter zijn geweest. Vertragingen, gecombineerd met andere externe factoren, zorgden ervoor dat iedere geplande sessie maar één keer kon plaatsvinden. Het project zou sneller opgeschoten zijn indien er meer gelijktijdige sessies hadden kunnen plaatsvinden, omdat de leerlingen dan onmiddellijke antwoorden hadden kunnen geven en krijgen, eventueel via chat. Nu verliep het project tamelijk traag omdat de antwoorden die de leerlingen nodig hadden trager doorkwamen van de samenwerkende groep uit de andere school. Dat bracht met zich mee dat de groepen het meeste werk deden zonder optimaal van de netwerkfaciliteiten gebruik te maken. Hiervoor waren de leerkrachten gedeeltelijk verantwoordelijk omdat de opgelegde taken duidelijk door de groep van een school konden uitgevoerd worden zonder gebruik te maken van netwerkfaciliteiten… In de fase van de planning had men beter opdrachten bedacht met deadlines, om het gebruik van de netwerkfaciliteiten te bevorderen. Men had de opdrachten toen zo kunnen opvatten, dat ze onmogelijk uit te voeren waren zonder de medewerking van de groepen van de andere school. En ze hadden natuurlijk zo moeten opgevat zijn.
Het werd snel duidelijk dat de leerlingen die de verantwoordelijkheid op zich namen om tijdens de werksessies op school te schrijven, zo goed als altijd dezelfde waren. Ook hier hadden de leerkrachten de groepen kunnen aanmoedigen om zich zo te organiseren, dat iedereen de gelegenheid kreeg om te schrijven en te oefenen in het verzenden en opslaan van bijlagen. Men had de groepen bijvoorbeeld kunnen vragen om elke week van contactpersoon te wisselen. Het tijdschema voor het project (drie weken in maart en april) was compleet ontoereikend en het werk moest verder gaan in mei. Oorzaak hiervan waren uiteraard de vertragingen maar ook het feit dat het werken via netwerk veel meer tijd in beslag nam dan verwacht. Toen eindelijk het eindproduct moest bijeengebracht en doorgestuurd worden, bleek het voor sommige groepen moeilijk om het relevante materiaal te vinden en er een geheel van te maken. Oorzaak hiervan waren de chaotische gezamenlijke sessies. Gevolg: verscheidene eindproducten waren onvolledig en dat werd weerspiegeld in de eindevaluatie; de groepen in kwestie kregen niet het cijfer waarop ze in optimale omstandigheden recht hadden gehad. Dit kan een nuttige les zijn geweest voor de betrokkenen. Toch leverde een overgroot deel van de groepen een mooie prestatie en een bevredigend eindproduct af. Twee verhandelingen waren uitstekend. De evaluatie werd schriftelijk gegeven door de leerkrachten van elke school voor hun eigen groepen. De cijfers werden per groep gegeven, maar hadden ook een invloed op het resultaat van elke individuele leerling op het einde van het schooljaar. De leerlingen evalueerden het project aan de hand van een vragenlijst. Een evaluatieverslag (in het Deens) van het Latijn/Engels-project vind je op: http://fc.nrsbgym.dk/~en/DDN/evaluering_af_ddn.htm |