Wat een WebQuest is, kon je al lezen in hoofdstuk 2 (“Opzoeken op het internet: WebQuest”). Deze casestudie behandelt een WebQuest over de verschillende percepties van de oudheid in de eerste helft van de 19e eeuw en hun afspiegeling in de kunst van die periode, meer bepaald in de zogenaamde Gouden Eeuw van Deense kunst, zie http://fc.nrsbgym.dk/~en/old/Webquest/St_st_startside.htm
De titel van de WebQuest is "Stille Storhed" (stille grootsheid), naar de woorden die Johann Joachim Winckelmann gebruikte om het wezenlijke van de Griekse beeldhouwkunst in het algemeen en van de Laocoöngroep in het bijzonder te vatten: "Stille Grösse und edle Einfalt".
De WebQuest in kwestie was opgevat als onderdeel van een opdracht voor de Deense nascholing over het pedagogisch gebruik van ICT, "Gymnasie-it", zie www.gymnasie-it.dk. Het doelpubliek zijn leerlingen van het laatste jaar middelbaar die een gezamenlijk project opzetten dat de vakken geschiedenis, kunst en antieke cultuur overlapt. De WebQuest zou ook bruikbaar moeten zijn voor leerlingen die alleen antieke cultuur of Grieks volgen en voor leerlingen van het voorlaatste jaar.
De WebQuest werd in de herfst van 2003 ontworpen door Elisabeth Nedergaard (antieke cultuur,
Dit e-mail adres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit onderdeel te kunnen bekijken
) in samenwerking met Lone Gosvig Milling (geschiedenis,
Dit e-mail adres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit onderdeel te kunnen bekijken
) en Alice Bergholt Nilsson (kunst,
Dit e-mail adres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit onderdeel te kunnen bekijken
), leerkrachten aan het Noerresundby Gymnasium & HF-kursus.
De WebQuest, die toegankelijk is gemaakt op het internet, bestaat uit de volgende delen of bouwstenen (zie ook het artikel over WebQuest in hoofdstuk 2):
- titelpagina (“Startside”);
- inleiding (“Introduktion”);
- taakomschrijving (“Hovedopgave”);
- procesbeschrijving (“Processen”), en in dit verband een werkblad (“Opgaveark”);
- instructies in verband met evaluatie (“Evaluering”);
- besluit (“Konklusion”);
- blad voor de leerkracht (“Laererens side”).
De titelpagina dient alleen om een overzicht te geven van de verschillende onderdelen van de WebQuest en om de algemene titel te geven.
De inleiding vertelt de leerlingen over de werking van de WebQuest in verband met het in de klas behandelde onderwerp. Ze somt op welke voorkennis de leerlingen al zouden moeten hebben om over te gaan naar de evaluatie van de neoklassieke perceptie van de oudheid. Ze zouden al geoefend moeten zijn in het herkennen van Griekse kunst van verschillende periodes en de meesterwerken bestudeerd moeten hebben, zoals de Doryphoros van Polykleitos, de Apoxyomenos van Lysippos en de Laocoöngroep uit de Vaticaanse musea.
De taakomschrijving geeft het allesomvattende doel van de WebQuest: dat de leerlingen vertrouwd raken met de perceptie van de oudheid in de neoklassieke periode en in staat zijn dit in een bredere context te plaatsen op basis van wat ze voordien over deze periode geleerd hebben. Men zou dan de vraag kunnen stellen of iedere periode van de geschiedenis een beeld van de oudheid gebruikt om zijn belangen te dienen en dan vragen wat de functie van de oudheid vandaag is. De leerlingen krijgen de opdracht naar de procesbeschrijving te gaan, het blad met de opdrachten te vinden en de verschillende vragen op te lossen om tot een algemeen begrip van het onderwerp te komen.
De procesbeschrijving geeft de leerlingen de verschillende soorten opdrachten in WebQuest en wat er van hen verwacht wordt. Ze worden ingelicht dat de sleutels tot de oplossing van elke opdracht te vinden zijn op het werkblad. Alle leerlingen zullen aan vijf dezelfde opdrachten werken omdat de WebQuest opgevat is als een kortlopende WebQuest (drie lessen van 95 minuten, de gezamenlijke eindbespreking inbegrepen). De eerste vier opdrachten moeten door de leerlingen per twee beantwoord worden en in de volgorde van het blad. Elke opdracht is onderverdeeld in kleinere secties die bestaan uit opzoekwerk, denkvragen of analysevragen. De allesomvattende interpretatie van het onderwerp (= opdracht 5) moet plaatsvinden in klasverband en is gebaseerd op de resultaten van het paarsgewijs werken aan de eerste vier opdrachten. In de procesbeschrijving hebben de leerlingen gelezen dat, als ze om één of andere reden de antwoorden voor de eerste vier opdrachten niet allemaal binnen het bestek van de eerste twee lessen gevonden hebben, ze de antwoorden thuis en alleen moeten aanvullen als huiswerk ter voorbereiding van de slotles.
Het werkblad geeft de vijf opdrachten en hun onderverdelingen. Voor elke onderverdeling wordt de soort vraag meegedeeld en worden één of meer bronnen (websites) gegeven om het antwoord te vinden. Het werkblad bestaat in een Word-versie en in een html-versie:
http://fc.nrsbgym.dk/~en/old/Webquest/St-st_opgaver_Word.doc
http://fc.nrsbgym.dk/~en/old/Webquest/S000BE849.-1/St_st_opgaveark_web.htm?WasRead=1.
De vijf opdrachten zijn de volgende:
1. achter neoclassicisme: de esthetische discussie in de jaren 1700 (acht kleinere vragen over Winckelmann en Lessing);
2. de oudheid in de beeldhouwkunst van de gouden eeuw (drie vragen over de Deense beeldhouwer Bertel Thorvaldsen, één over Winckelmann’s ideeën over de Apollo Belvedere, één over de latere reactie op het neoklassieke idealisme: “Wij, kunstenaars, mogen niet langer zoals Thorvaldsen in Rome zitten en de oudheid nabootsen...”, gezegd door beeldhouwer Niels Hansen Jacobsen, 1899);
3. de oudheid in de schilderkunst van de gouden eeuw (een vraag over de Deense schilder Nicolai Abildgaard en zijn schilderij over de gewonde Philoctetes, één over de Franse schilder Jacques-Louis David en de Eed van de Horatii en één over de Deense schilder Martinus Roerbye die in Athene werkte kort na de Griekse onafhankelijkheidsstrijd (1833));
4. de oudheid in de architectuur van de gouden eeuw (vier vragen over de Deense broers en architecten Christian en Theophilus Hansen, beiden werkzaam in Athene na de onafhankelijkheid in 1833 en ook betrokken bij de werkzaamheden op de Atheense Acropolis in die periode);
5. hoofdopdracht (te beantwoorden in pleno; de opdracht omvat 9 vragen om de discussie op gang te brengen).
De instructies voor de evaluatie geven de leerlingen de criteria op basis waarvan hun prestatie zal beoordeeld worden. Ze worden verondersteld actief deel te nemen aan het proces en weten dat niet alleen de kwantiteit maar ook de kwaliteit van hun werk zal beoordeeld worden. Ze weten dat het niet alleen belangrijk is informatie te zoeken maar ze ook kritisch te gebruiken door van analyse via interpretatie naar het leggen van verbanden te gaan. Alleen dan kan informatie kennis worden.
De conclusie stelt dat de leerlingen na de WebQuest kennis moeten verworven hebben in de neoklassieke perceptie van de oudheid en daardoor ook een beter begrip van de beeldhouwkunst, schilderkunst en architectuur van die periode. Dankzij hun werk over de neoklassieke periode zouden ze de reeds bekende kunstwerken in een breder verband moeten kunnen zien en hun functie in het hedendaagse Europa bespreken.
Het blad voor de leerkracht geeft algemene informatie over de WebQuest als concept en informatie over deze WebQuest in het bijzonder. Deze informatie wordt van leerkracht tot leerkracht gegeven en stemt min of meer overeen met het hoofdstuk in dit handboek over hoe je een WebQuest maakt.
Toen dit hoofdstuk werd geschreven, was de WebQuest nog niet uitgetest op leerlingen. Het gebruik van de WebQuest veronderstelt een aantal computers met een internetverbinding voor de helft van de betrokken groep leerlingen (één computer per twee leerlingen).
Het duurde verschrikkelijk lang om de WebQuest te maken en de juiste links te kiezen, maar het onderwerp is zo moeilijk te benaderen en het materiaal is zo moeilijk te vinden dat het geen zin zou hebben gehad om de leerlingen gewoon te vragen vrij op zoek te gaan naar informatie op het web. Eigenlijk is WebQuest een tof concept om moeilijke onderwerpen aan te pakken of onderwerpen waarvoor niet makkelijk materiaal te vinden is op het internet. Doordat de leerkracht de controle krijgt over het zoeken naar relevante links, kunnen de leerlingen zich concentreren op het onderwerp zelf, zonder tijd te verliezen in zinloze zoektochten naar informatie.